Native demo page

This page is for demo purposes only. Questions about our
product or technology? Or interested to learn more about
what we have to offer?

Please email us at:
info@videomediagroup.com


Or give us a call:
+31(0)85 48 79 680

 

Tijdschriften

Wie het woord ‘literatuur’ hoort, zal in de eerste plaats aan boeken denken. Maar literatuur wordt niet alleen in boeken verspreid; minstens zo belangrijk zijn de tijdschriften. Tijdschriften kunnen op verschillende manieren bijdragen aan de literatuur: ze kunnen bestaan uit literaire teksten (verhalen, novellen, gedichten, de zogeheten bellettrie) en er kunnen recensies van literaire werken in verschijnen, naast polemieken, essays en politieke en algemeen-culturele beschouwingen. Daarnaast zijn tijdschriften cruciaal voor de publicatie van de nieuwste inzichten in de taal- en literatuurwetenschap. 

het begin: éénmansblaadjes

Hoewel het eerste echte literaire tijdschrift, de Haagsche Mercurius, nog net in de zeventiende eeuw (tussen 1697 en 1699) verscheen, werd het tijdschrift pas in de loop van de achttiende eeuw een echt populair medium. De vroegste tijdschriften waren veelal typische éénmansprojecten. De eerste Nederlander die zich met enig succes aan het genre wijdde was Pieter Rabus met zijn recensieblad Boekzaal van Europe, dat zelfs al vanaf 1692 verscheen. Na de dood van Rabus in 1702 werd het tijdschrift voortgezet als Boekzaal der geleerde wereld. Het bleef tot 1864 voortbestaan. Een van de meest beruchte tijdschriftenmakers uit de beginperiode was de broodschrijver Jacob Campo Weyerman. Hij heeft de kortlopende maar uiterst venijnige tijdschriften Rotterdamsche Hermes, Amsterdamsche Hermes (1721-1723), Den Ontleeder der Gebreeken (1723-1725), Den Echo des Weerelds (1725-1727) en Den Vrolyke Tuchtheer (1729-1730) op zijn naam staan. De geruchtmakende levenswandel van Weyerman leidde al in 1756 tot een biografie: Zeldzaame levens-gevallen van J.C. Wyerman door F.L. Kersteman.

spectators: observaties en meningen

In 1731 introduceerde Justus van Effen het uit Engeland afkomstige genre van de spectator in Nederland. In het Duits wordt dit genre, zo betoogt Buijnsters in zijn artikel ‘Sociologie van de spectator’, betiteld met de term ‘moralische Wochenschrifte’, hetgeen de lading eigenlijk beter dekt. Van Effens Hollandsche Spectator werd bijzonder populair, vooral omdat hij onderwerpen aansneed waar iedere burgerman of -vrouw mee te maken kon krijgen. Het tussen 1763 en 1774 verschijnende De Denker was eveneens een spectatoriaal tijdschrift. Het werd gevuld door Cornelius van Engelen en bekende schrijvers als J.F. Martinet en Joannes Nomsz. In 1792 bracht Pieter van Woensel de eerste aflevering van De Lantaarn uit. Dit rijk geïllustreerde tijdschrift verscheen tussen 1792 en 1801 vijf keer en handelde over de meest uiteenlopende maatschappelijke en culturele onderwerpen. Conrad Busken Huet zou het blaadje later in zijn essay ‘Pieter van Woensel’ genadeloos neersabelen: ‘droog zand’.

ten strijde: tijdschriften met een opgeheven zwaard

Het literaire tijdschrift is een zeer geschikt medium om tegen allerlei zaken ten strijde te trekken en de eigen literaire opvattingen stevig te etaleren. Vanaf de blaadjes van Jacob Weyerman tot de huidige Tirade en De Revisor hebben tijdschriften gediend als medium voor polemiek en vernieuwing. De Poëtische Spectator (1784-1786) van Bellamy en zijn vrienden probeerde vooral door middel van kritieken de poëzie een nieuwe, ‘onsentimentele’, impuls te geven. De Post van den Helicon (1788) van Johannes Kinker en Willem Bilderdijk, een tijdschrift waarvan in het enige jaar dat het bestond maar liefst 40 afleveringen verschenen, droeg ditzelfde standpunt uit en kwam ook in opstand tegen de bestaande dichtgenootschappen.

nieuwe bewegingen

Niet zelden gaan nieuwe tijdschriften en succesvolle nieuwe literaire bewegingen hand in hand. Zo richtten de Tachtigers Willem Kloos, Frank van der Goes, Willem Paap, Albert Verwey en Frederik van Eeden in 1885 De Nieuwe Gids op. Dit blad kende negen spraakmakende jaargangen, waarna de redactie door ruzies uiteenviel, en het blad alleen door Willem Kloos en een paar jonge geestverwanten werd voortgezet. In de eerste jaargangen werden er belangrijke werken als De Kleine Johannes (1885) van Frederik van Eeden en het eerste deel van Mei (1889) van Herman Gorter in voorgepubliceerd. Ook de programmatische teksten en de beruchte scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel trokken de aandacht. In Vlaanderen richtten enkele jonge auteurs in 1893 Van nu en straks op; het met veel zorgt vormgegeven tijdschrift bleef tot 1901 bestaan en kan gezien worden als het zuidelijke equivalent van De Nieuwe Gids. In dit blad trokken vooral jonge schrijvers als August Vermeylen, Cyriel Buysse, Prosper van Langendonck en Karel van de Woestijne de aandacht. Het tijdschrift Forum ontstond in 1932 eveneens uit een drang tot grondige vernieuwing van de literatuur. Het werd opgericht door E. du Perron, Menno ter Braak en Maurice Roelants en verscheen maandelijks. Wederom was de kritiek een geliefd instrument om de literatuuropvattingen duidelijk te maken. Belangrijke auteurs die in het tijdschrift publiceerden waren Simon Vestdijk en Willem Elsschot. Elsschots roman Kaas (1933) werd in zijn geheel in het tijdschrift voorgepubliceerd. De studie Vorm of vent van J.J. Oversteegen geeft een goed beeld van de discussies in en rond Forum.

Een recenter voorbeeld van een tijdschrift met scherpe opvattingen en veel invloed is het in 1962 opgerichte Merlyn. Dit tijdschrift had vooral invloed op de academische bestudering van literatuur; zo introduceerden redacteuren Kees Fens, H.J. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen de techniek van close reading in Nederland.

wetenschappelijke tijdschriften

Tijdschriften hebben niet alleen invloed hebben op de literaire vormen en normen, maar kunnen dus ook een belangrijke bijdrage leveren aan de manier waarop literatuur bestudeerd wordt. In 1837 kwam Jan Frans Willems met een tijdschrift dat van grote invloed zou zijn op de ontwikkeling van de toen nog jonge neerlandistiek: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Dit tijdschrift richtte zich zowel op literatuur als op geschiedenis en publiceerde veel vergeten teksten en documenten uit met name de Middeleeuwen. Deze publicaties gaven een enorme impuls aan de herontdekking van bronnenmateriaal dat eeuwenlang in archieven had liggen verstoffen. Het is voor neerlandici nog steeds een belangrijk naslagwerk, omdat er afschriften van literaire teksten in staan die inmiddels door brand en andere rampen verloren zijn gegaan. Het Belgisch museum stopte met de dood van Jan Frans Willems in 1846. Het tijdschrift werd echter node gemist en in 1855 kwam C.P. Serrure met een opvolger, het Vaderlandsch museum voor Nederduitsche Letterkunde, Oudheid en Geschiedenis. Dit tijdschrift bleef bestaan tot 1863. Vergelijkbaar pionierswerk werd voor de taalkunde verricht door De Taalgids (1859-1867). Dit tijdschrift stond onder redactie van L.A. te Winkel, A. de Jager en J.A. van Dijk.